Op het marktplein van Apeldoorn is het op zaterdag druk. Vlakbij de Worstenkoning en ongeveer ter hoogte van de loempiakraam staat een volwassen man voorbijgangers te vragen om vijftig cent. Hij is groot, mager, heeft een ingevallen gezicht en een haarband op zijn hoofd. Hij spreekt de mensen aan op een gemoedelijke toon en hij vraagt ze om vijftig cent omdat hij een belangrijk telefoontje moet maken. Ik ken hem wel, want hij heeft het mij ook wel eens gevraagd. Elke zaterdag loopt die man op die plek rond omdat hij elke zaterdagmiddag een belangrijk telefoontje moet maken. Er is niemand die hem gelooft en dat is logisch, maar er is ook zelden iemand die hem de vijftig cent geeft. Ik wel, als ik het heb. Maar ik draag zelden meer muntgeld of biljetten bij me.Vandaag (zaterdag) loop ik de Nawijn & Polak binnen, een boekenwinkel vlakbij de Worstenkoning en ongeveer ter hoogte van de loempiakraam. Buiten doet de man zijn ronde. Ik ga bij het raam van de winkel staan en observeer hoe de mensen op hem reageren. In de ongeveer drie minuten dat ik sta te kijken is er niemand die hem geld geeft, zelfs niemand die hem één zin laat uitspreken. Mensen zeggen niets, mensen zeggen Nee!, steken hun hand afwerend naar hem op of doen hun best om uit zijn zicht te komen. Het is vreemd om te zien hoe mensen schrikken als hij op ze afkomt, alsof het een wild dier betreft terwijl het maar een man is. Die (vrij rustig) om vijftig cent vraagt.
Ik vraag me af om de man wel eens muziek luistert. Muziek die hij mooi vindt en waarover hij verhalen tegen zijn vrienden vertelt. Ik vraag me af of hij het prettig vindt dat vandaag de zon schijnt. Deze man heeft problemen. Gebruikt ongetwijfeld de munten van vijftig cent voor het kopen van drugs. Daar heb ik geen enkele twijfels over. Ik denk ook dat hij verstandelijk niet in orde is, dat zijn hoofd niet helemaal meer van hem is. En ik denk ook dat hij de hoop verloren heeft.
En als ik wegloop bij de etalage van de boekenwinkel en naar buiten ga, staan er twee stadswachten en een marktkoopman om zich heen te kijken. De man is spoorloos. Hij staat hier al de hele dag rond te lopen! zegt de koopman verontwaardigd tegen de twee streng kijkende stadswachten. Bij de loempiakraam staan twee vrouwen te eten en mee te luisteren met het gesprek. Ik loop door en wandel langs een gezin dat gretig hapt in de flinke broodjes die de jongen van de Worstenkoning ze net heeft geserveerd. Ze staan lekker in het zonnetje.
We hebben het goed hier.
Met zijn allen. In Nederland.
"...hun zonen en hun vrouwen;
ze hadden de bodem nog niet bereikt,
of de leeuwen
maakten zich al van hen meester."
Daniël 6:25
Geen opmerkingen:
Een reactie posten