
Het regent terwijl ik in elkaar gefrommeld als een weggeworpen snotzakdoek op het krappe bankje in de bushalte zit. Regen zuivert, regen zuivert, herhaal ik als een mantra in mijn hoofd en tracht tevergeefs daarmee iets positiefs van de koude ellende te maken. Komt door een verhaal van reisschrijver Paul Theroux, die lang geleden op een bootje de Jangtsekiang-rivier afgleed en daar op een rots geschreven zag staan: 'Bloemen, bamboe en regen. Zuiveren. De reiger.' Het kan tegenwoordig nooit regenen zonder dat ik daaraan denk. Er komt een vrouw aangelopen. Ze aarzelt als ze bij het bushokje arriveert, maar het regent te hard om een punt te maken van persoonlijke ruimte. Twee stappen en ze staat bijna tegen mij aan. Ik glimlach en knik naar haar (kijk, mevrouw, ik ben vriendelijk, niet té en ik doe u niks) en voel een druppel van mijn neus vallen. De vrouw knikt kort terug en in eerste instantie schrik ik een beetje. Ze heeft gehuild! Of niet. Natuurlijk niet, het is de regen. Ze heeft een gezicht alsof iemand er een blikje zwarte verf tegenaan heeft gegooid. 'Met wimpers als een bosje afgebrande lucifers.' Die laatste heb ik van Wolkers. Blijkbaar heb ik geen originele gedachten en zweven er in mijn hoofd slechts boekcitaten rond, wachtend op het geschikte moment om naar de voorgrond te fladderen. Dan gaat de vrouw op het bankje naast me zitten. Ik ruik een onprettige geur en hoop vurig dat het haar jas is. Dat de mottige ouwe zolderstank er door de genadeloze druppels flink uit wordt geklopt. Het idee dat ik op deze gure, natte ochtend in de walm van een ongewassen, volwassen lichaam zit, zou mij vrij makkelijk richting misselijkheid kunnen sturen. Ik zit te wachten op Lijn 5, niet op een kokhalsreflex. Tegenover de halte staat een deels ondergrondse afvalcontainer. Ernaast liggen een aantal vuilniszakken, waarvan er eentje opengescheurd is. Er is een pakje goedkope sinaasappelsap uitgevallen, maar het staat rechtop met het witte mini-rietje er nog in. Ik ken dat spul wel, leerlingen hebben het soms mee naar school. Het is dat afgewaterde sap. Ik stel me voor dat het regenwater via het rietje naar binnen gaat en dat een zwerver later verrukt zal zijn met het volle pakje sinaasappelsap. Waarschijnlijk smaakt het exact hetzelfde als het spul dat er door de fabriek in werd gedaan. Het gaat harder regenen. Dan komt de bus eraan. Ik blijf zitten zodat de vrouw de gelegenheid krijgt eerst de bus in te stappen. Eenmaal binnen zoek ik een plek. Ik draai automatisch mijn hoofd naar het raam (Busprotocol Voor Eenzame Reizigers), maar probeer via de weerspiegeling de vrouw op te sporen. Het is druk in de bus. Ik moet denken aan Sneeuwland van Kawabata: 'In de dieptes van de spiegel bewoog het avondlandschap voorbij, de spiegel en de gereflecteerde figuren als bewegende beelden over elkaar gelegd. De figuren en de achtergrond hadden geen relatie tot elkaar en toch smolten de figuren, transparant en materieloos, en de achtergrond, schemerig in de naderende duisternis, samen in een soort symbolische, buitenaardse wereld. Helemaal toen er een licht-' En terwijl het citaat zich verder uitrolt, denk ik al aan hele andere zaken. Zo moet ik heel nodig poepen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten